Kaai & Legidex
     
 

HOME

DE JURIDISCHE KAAI

CONTACT

 
 
 

Confiteor
DE TIJD 18 maart 2020

Kan de overheid gebedshuizen sluiten ?

Art. 19 van de Grondwet stelt: 'De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd.'

In het Belgisch Staatsblad van vandaag 18 maart 2020 lezen we dat de minister van Binnenlandse Zaken Pieter De Crem zich beroept op art 4 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming.

Deze wet heeft volgens haar art. 1 het volgende doel :'De civiele bescherming omvat alle civiele maatregelen en middelen die moeten dienen om de bescherming en het voortbestaan van de bevolking te verzekeren, en om 's lands patrimonium te vrijwaren in geval van gewapend conflict. Zij heeft ook tot doel bij rampspoedige gebeurtenissen, catastrofen en schadegevallen, te allen tijde personen bij te staan en goederen te beschermen.'
En art. 4 van de Wet betreffende de civiele bescherming stelt: De Minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoren, organiseert de middelen en lokt de maatregelen uit welke voor geheel 's lands grondgebied nodig zijn voor de civiele bescherming.

Blijft dan nog de vraag of een wet een grondwettelijk recht kan aantasten ?

Wellicht is het antwoord makkelijk te geven vanuit  een nog hogere norm dan onze grondwet, namelijk art. 9 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 November 1950, te Rome dat stelt: De vrijheid van godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.'
Het lijkt mij moeilijk te betwisten dat het corana-virus een tijdelijk wettelijke beperking van de godsdienstvrijheid kan verantwoorden.

Bovendien sluit minister De Crem de gebedshuizen niet volledig. Hij besliste enkel het volgende in art. 5: Worden verboden: - de samenscholingen; - de privé- en publieke activiteiten van culturele, maatschappelijke, feestelijke, folkloristische, sportieve en recreatieve aard; - de schooluitstappen en de activiteiten in het kader van jeugdbewegingen, op en vanaf het nationaal grondgebied; - de activiteiten van de erediensten. In afwijking van het eerste lid, worden wel toegestaan: - activiteiten in intieme of familiale kring en begrafenisceremonies.

Het zal in deze niet tot juridische spitsvondigheden komen: de kerkelijke overheden hebben zelf beslist om geen vieringen te laten doorgaan.



Cococolitie
DE TIJD 12 maart 2020

In Kaaiman lezen we over verschillende soorten regeringen: Een noodregering. Een expertenregering. Een deskundigenregering. Een specialistenregering. Een stielmannenregering. Een afspiegelingsregering. Een Griegregering. Een Bartokregering.

Wie stelt een regering aan ?
Art. 96 van de Grondwet is duidelijk:'De Koning benoemt en ontslaat zijn ministers.'

Volgens de Grondwet zijn er niet zoveel beperkingen om tot minister benoemd te kunnen worden.
Art. 97 stelt: 'Alleen Belgen kunnen minister zijn.' Art. 98 bepaalt: 'Geen lid van de koninklijke familie kan minister zijn.' Art. 99 beperkt de Ministerraad tot ten hoogste vijftien leden en de Eerste Minister eventueel uitgezonderd, telt de Ministerraad evenveel Nederlandstalige als Franstalige ministers.'

Hoe men die regering tenslotte noemt is niet in de Grondwet geregeld, en behoort tot de literaire vrijheid van Kaaiman of andere pers of politici.

Misschien nog dit voor wie denkt dat de Koning toch wel heel veel macht heeft. Er is nog art. 106 van de Grondwet: 'Geen akte van de Koning kan gevolg hebben, wanneer zij niet medeondertekend is door een minister, die daardoor alleen reeds, ervoor verantwoordelijk wordt.'


Frangironavirus

DE TIJD 10 maart 2020

Wat verwacht de wetgever van een professor ?

In art. V.3 Codificatie van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs, beter gekend als de Codex Hoger Onderwijs, spreekt men niet over een professor maar over het zelfstandig academisch personeel (ZAP).
Binnen het ZAP bestaan de volgende graden: docent, hoofddocent, hoogleraar en gewoon hoogleraar.

Art. V.4 Codex Hoger Onderwijs geeft de volgende taakomschrijving: 'De leden van het zelfstandig academisch personeel hebben tot opdracht het verrichten van wetenschappelijk onderzoek en het verschaffen van academisch onderwijs in het vakgebied of de vakgebieden die hen zijn toegewezen. Deze opdracht kan tevens prestaties van wetenschappelijke dienstverlening aan de gemeenschap omvatten. De onderwijsopdracht kan geheel of gedeeltelijk bestaan uit de begeleiding van studenten bij scripties of eindverhandelingen en van promovendi tijdens de voorbereiding van hun doctoraats-proefschrift.   Naast de academische taken bedoeld in het eerste lid kan het universiteitsbestuur de leden van het zelfstandig academisch personeel ook belasten met organisatorische, coördinerende of administratieve taken.'

Niet alle taken die in art. V.4. Codex Hoger Onderwijs beschreven staan tellen mee om carrière te maken binnen het ZAP.
Dat staat als volgt te lezen in Art. V.27 Codex Hoger Onderwijs:'Het besluit tot benoeming of aanstelling van een lid van het zelfstandig academisch personeel moet gemotiveerd zijn. In het bijzonder moet de benoeming of aanstelling gegrond zijn op een vergelijking van de wetenschappelijke en de onderwijskundige kwaliteiten van de kandidaten in het betrokken vakgebied. Het universiteitsbestuur leeft de objectiviteit bij de selectie na.'

Wie een beetje ervaring heeft met het recht kan zich al inbeelden dat er wel wat discussie kan ontstaan over die motivering.
Dat blijkt ook uit de rechtspraak. In 2019 heeft de Raad van State zich gebogen over de correcte toepassing van het hoger genoemde art. V.27 en de UGent 3 keer ( 25 juli 2019, 25 juni 2019 en 3 december 2019) teruggefloten omdat zij niet volgens de wettelijke voorschriften overging tot een 'hogere' benoeming.


Viruskwekerij H.J. Rega
DE TIJD 7 maart 2020.

Wie mag zich viroloog noemen ?

In deze tijden van het coronavirus lijkt een viroloog te waken over onze gezondheid en dus onder toepassing te vallen van de gecoördineerde wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen van 10 mei 2015.
In deze wet wordt geregeld wie een gezondheidszorgberoep mag uitoefenen.

Zo stelt art. 3 § 1. van die gecoördineerde wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen: ' Niemand mag de geneeskunde uitoefenen die niet het wettelijk diploma bezit van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, dat werd behaald in overeenstemming met de wetgeving op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, of die niet wettelijk ervan vrijgesteld is, en die bovendien de voorwaarden gesteld bij artikel 25, niet vervult.'

In art. 43 van diezelfde wet wordt geregeld de kinesitherapie mag uitoefenen. Daarvoor moet men houder zijn van een erkenning die afgegeven werd door de minister voor Volksgezondheid.
In art. 45 vind je een regeling voor verpleegkunde, in art. 62 voor het beroep van vroedvrouw,in art. 65 het beroep van hulpverlener-ambulancier, in art. 68/1 de uitoefening van klinische psychologie en klinische orthopedagogiek en in art. 69 de uitoefening van de paramedische beroepen.

In deze van 10 mei 2015 wet komt de beroepstitel 'viroloog' niet voor.

Er is in deze wet wel een hoofdstuk 8 waarin geregeld wordt wie zich een bijzondere beroepsbekwaamheid of een bijzondere beroepstitel mag toe-eigenen.
Art. 86 van die gecoördineerde wet stelt:'Niemand kan een bijzondere beroepstitel dragen of zich beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid, dan na door de minister bevoegd voor Volksgezondheid of de door hem gemachtigde ambtenaar hiertoe te zijn erkend.'

In de praktijk betekent dit dat er dus een Koninklijk of Ministerieel besluit moet zijn om zo een bijzondere beroepstitel te dragen.
Voor tandartsen bestaat er zo een K.B., en ook voor kinesitherapeuten, en voor de beoefenaars van de verpleegkunde.

De bijzondere beroepstitel van viroloog bestaat in deze wet niet.

En wat als je toch als gezondheidszorgberoeper zonder erkenning een bijzondere beroepstitel zou dragen ?

Wel, dan bepaalt art. 128 van de gecoördineerde wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen: 'Onverminderd de toepassing van de straffen gesteld bij het Strafwetboek en onverminderd, desgevallend, de toepassing van tuchtmaatregelen, wordt gestraft met een boete van tweehonderd euro tot duizend euro:   1° Hij die, met overtreding van artikel 86, zich in het openbaar een bijzondere beroepstitel of een bijzondere beroepsbekwaming toe-eigent zonder het recht hiertoe te hebben;   2° Hij die, met overtreding van artikel 87, een bijzondere beroepstitel of een bijzondere beroepsbekwaamheid toekent aan personen, die hij tewerkstelt, zelfs als vrijwilligers, en hierop het recht niet hebben.   In dit geval zijn de werkgevers en lastgevers burgerlijk aansprakelijk voor de geldboeten uitgesproken ten laste van hun aangestelden of lastnemers, wegens overtredingen gepleegd bij de uitvoering van hun contract.'

Misschien kan je stellen dat een viroloog helemaal geen gezondheidszorgberoeper is, maar gewoon iemand zoals jij en ik die het studiedomein 'virologie' bestudeert.
Dat zou ook kunnen, en dan heb je helemaal geen diploma of bijzondere competentie nodig, omdat er geen wet is die de titel 'viroloog' regelt.

Tenminste, zolang je je daarbij niet voordoet als een gezondheidszorgberoeper (zoals bijvoorbeeld arts), want dan  ...